Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen

dinsdag 11 april 2017

Foto uit Aleppo

Aleppo


         
Zijn naam is Mohammad Mohiedine Anis. Hij is 70 en woont in de wijk al-Shaar in het Syrische Aleppo. Ik heb een foto van hem. Een dramatische foto. Hij zit in de slaapkamer van zijn aan flarden geschoten huis. De kamer ligt vol puin. De sponningen van de ramen hangen naar buiten, de gordijnen hangen gerafeld aan de muur. Op een nachtkastje, dat verdwaald in de kamer staat, liggen boeken dik onder het stof. Op een rieten stoel liggen wat kleren. Het is chaos. Door het raam zie ik de overkant van de straat. Een flatgebouw, beschadigd door bommen en raketten. In die totale destructie zit op de zijkant van het bed Mohammad Mohiedine Anis. Zijn ene been over het andere, een pijp in zijn rechterhand. Het grijze hoofd aandachtig gebogen, luisterend. Hij lijkt totaal ontspannen. Het enige wat in de kamer nog heel is, is een koffergrammofoon. Er is in de grauwe kamer maar een klein kleurtje, en dat is het rode etiket van de grammofoonplaat. Mohadiene Anis luistert naar muziek. Een oude man die, letterlijk tussen de brokstukken van zijn leven, opgaat in de wonderlijke wereld van de muziek.
Wat is dat toch, die wonderlijke kracht en macht van de muziek?
Is de kracht van muziek hierin gelegen dat het woordloos antwoord geeft op vragen waar woorden tekort schieten? Ik wil het anders zeggen: Soms boort muziek een laag in je ziel aan waarvan je het bestaan niet eens wist.
Lagen tussen heimwee, melancholie, vreugde en extase .
 
!n 1948 was ik 12 jaar. We hadden thuis geen grammofoon. We hadden radiodistributie. Aan de wand hing een grijs vierkant kastje. Met een grote zwarte knop kon je op wel vier verschillende zenders afstemmen. Een van die vier was een klassieke zender. We luisterden vaak samen naar muziek en het moet toen geweest zijn dat ik voor het eerst in stilte moest huilen omdat de emotie die ik onderging bij het horen van muziek te groot was. Ik begreep niet wat me overkwam. Als aankomende puber is dat wel te verklaren, maar tot op de dag van vandaag kan ik totaal van slag raken bij het ondergaan van muzikale emoties. 
Ik las ergens dat muziek zozeer een diep ingrijpende schoonheidsbeleving is, en haar uitwerking op mensen is soms zo overweldigend dat het bijna een religieuze ervaring wordt.

Zo ervaar ik het ook. Ik geloof dat God ook te vinden is in de schoonheid van de muziek. Ik luister nu anders naar muziek dan de 12 jarige puber, zeker nu het leven me getekend heeft en ik het verdriet en de hardheid van de wereld heb leren kennen. De dichteres Hanny Michaelis schreef daar het gedicht Luisterend naar de muziek...over.

 

Luisterend naar de muziek

die wij vroeger samen hoorden,

ruk ik aan mijn verdriet
als een hond aan een ketting.
 
Violen en fluiten zweven
een zilveren rag
over de afgrond
totdat de stilte
mij weer insluit.
 
Onder haar matglazen stolp
ontbrandt opnieuw
het geluidloze gevecht
tussen verwachting en wanhoop
om het niemandsland
van mijn bestaan.
 
Terug naar de foto.
Ik weet niet waar Mohammad Mohiedine  Anis naar luistert, maar ik zie in hem de vrede, ook al is het maar voor even en ontbrandt later opnieuw het geluidloze gevecht tussen verwachting en wanhoop. Wat blijft is de troost die muziek biedt in het leven.
Ik ben klaar en leg de foto terug in de knipseldoos en bedank Mohammad Mohiedine  Anis voor zijn wijsheid en even later luister ik naar mijn favoriete Drentse blueszanger Daniel Lohues als hij het liedje Bij de hemel in de rij zingt. Ik voel me gelukkig.
 


 
 



maandag 10 november 2014

Stilte

Stilte
Bijna iedere morgen sta ik, terwijl mijn honden vrij rondlopen, op een heuveltje met de rug tegen een oude beuk te kijken naar het voor mij liggende land. Vandaag is het land geploegd. De zwarte voren lijken te wachten op het zaaigoed. De mist dekt het toe met zachte hand. Ik ervaar geen geluid. De stilte neemt bezit van me. Mijn hoofd loopt leeg. Er zij geen storende gedachten. Er is in mij alleen maar stilte, een intense vredige stilte.                                      De mens heeft zo nu en dan rust nodig maar heeft vooral stilte nodig. Niet alleen om even bij zinnen te komen of, zoals dat heet “je even te herpakken”, maar om de vrede te ervaren die in de stilte is verborgen. Stilte geeft rust, geeft troost en geneest.

 Ik vind het verrijkend om de kerkdienst te beginnen met stilte. Het is een op adem komen voordat de liturgie begint. Geen stilte voor de storm dus. Stilte is er in allerlei vormen. Iedereen kent wel de benauwende stilte, de gespannen stilte en de verlossende stilte.                                                In de muziek speelt stilte een grote rol. Zonder rusten kan muziek niet bestaan. Een bijzondere vorm van stilte is de emotionele stilte. Ik ervaar dat bijvoorbeeld na de aria: Erbarme dich, mein Gott uit de Matthäuspassion van Bach. Met bijna dichtgeknepen keel onderga ik die aria. Doodstil.

Het zoeken naar stilte is universeel. Veel grote kunstenaars hebben gezocht naar vormen om de stilte te verbeelden.
Een uiterste vorm is de stiltemuziek van de Amerikaanse componist John Cage (1912-1992) Hij componeerde in 1952 een werk voor piano getiteld 4'33" (uitspraak: vier minuten en drieëndertig seconden) Cage noemde het zelf een silent piece. Het stuk gaat als volgt: De pianist zit voor de piano en raakt in 4 minuten en 33 seconden geen toets aan. Totale stilte  waarbij slechts het toevallig aanwezige en niet geënsceneerde geluid aanwezig is.
Bij het “aanhoren” bekruipt je aanvankelijk een onbehagelijk gevoel, totdat je je overgeeft aan de muzikale stilte.
Overigens, wanneer we naar muziek luisteren, is het de stilte die de meest intense en positieve hersenactiviteit stimuleren.
John Cage baseerde zijn werk op de White Paintings van Robert Rauschenberg. Dit schilderij bestaat uit 7 witte panelen. Door de afwezigheid van kleur en vorm blijft alleen de stilte over. Het is alsof je kijkt naar een kloostermuur, een witte kloostermuur.
De sprong naar het klooster is gemakkelijk gemaakt. Er zijn kloosterordes waar het zwijgen, de stilte, een vanzelfsprekend iets is, zoals de orde van de Kartuizers waar stilte gezien wordt als een voorwaarde om een hoger bewustzijn te bereiken. Omdat woorden ontoereikend zijn, wordt (overtollig) spreken vermeden. Overigens kan stilte in bepaalde omstandigheden van inhoud veranderen. Het lied Het is zo stil in mij gezongen door Van Dik Hout bezingt oorspronkelijke de stilte tussen twee geliefden. Als Judas het in The Passion van 2012 zingt dan is het een stilte van spijt, wroeging en eenzaamheid.

Stilte is voor ieder mens belangrijk. Ik zie uit naar de momenten van collectieve stilte, de verbindende stilte. De stilte van het stil gebed in de kerk. De stilte bij de 4 mei herdenking, waar ik na een aantal jaren weer bij zal zijn nu de rust, de stilte,  is weergekeerd.
God spreekt immers in de stilte.
 Onze oud-voorganger Jaap Zijlstra schreef in zijn gedicht Stilte het volgende:
De zee draagt vrede deze nacht
op kleine golven naar me toe.
Waarom en hoe zijn nu van geen belang.
Ik tracht niet meer en voel me niet meer moe.
Dit is het dan waarop ik heb gewacht,
de stilte waar ik diep voor onderdoe.

Stilte is ook genade.


.  
















.

donderdag 7 november 2013

Smaakmakers


Mijn zomerzon staat lager aan de einder, 
en ik besef dat herfsttij mij omhult.
Al ben ik voor de goede dood niet bang,
toch benauwen mij de korte dagen, 
de nachten waar ik woelend wakker lig.
en dan gedachten en herinneringen
de vrije ongedwongen loop laat gaan ,
en met mijn Vader tweegesprekken voer
en ook met mensen die al lang zijn heengegaan. 

Soms wordt het leven mij een last
en is de somberheid niet van de lucht,
voor mijn naasten ben ik dan een plaag.  

Toch hinkel ik op tegels in mijn straatje
en speel de blues en jazz en spiritual
en dank ik God en speel soms een psalm.  

Ik schreef dit gedicht in een periode dat het leven wat weerbarstig was. Ik was de zeventig royaal gepasseerd  en was zoekend en tastend naar wat ordening voor de laatste jaren van mijn bestaan. Ik relativeerde de dingen die ik deed zo erg dat er weinig meer overbleef wat ik de moeite waard vond om te doen.
Op enig moment besloot ik om in ieder geval voor een paar zaken te gaan vechten. Ik zou vechten voor mijn geloof en ik zou muzikant blijven. Zo mogelijk tot het einde.
Voor een van onze kinderen schreef ik een gedicht dat eigenlijk  een reflectiegedicht was

Leef,
ook al rukt de wind de haren  van je kop
en blaast de storm je om
spoelt regen je ogen  vol sop
en maakt de kou je stom
dan noch…
leef alsof je morgen sterft
en werk alsof je eeuwig leeft.
Het was in die tijd dat ik waardering kreeg voor de zanger/pianist Maarten van Roosendaal. Niet dat ik het vaak met zijn teksten eens was, maar ik bewonderde de passie waarmee hij in het leven stond.
In het liedje Red mij niet, dat in 2000 de Annie M.G.Schmidt-prijs kreeg, zing hij:
Laat mij mijn kont tegen de krib
Laat mij dit goddeloze lied
Hef jij je handen maar ten hemel
Maar red mij niet.
Hij koos ergens voor. Hij koos voor een leven zonder God. Gepassioneerd, dat wel.
Hij stierf dit jaar 54 jaar oud aan drank en nicotine.
          Op mijn kamer hangt een foto van de jazzsaxofonist Arnett Cobb (1918-1989) Het is een foto uit 1988 waarop hij, staande op twee krukken, een van zijn geweldige solo’s speelt. Hij had bij een auto-ongeluk zijn beide benen gebroken en zijn rug was al eerder beschadigd. Hij bleef spelen. Arnett Cobb ging door tot het eind.
Twee verschillende gepassioneerde mensen. Overal kom je ze tegen, de mensen met passie.
Passie, daar gaat het om, ook in de kerk.
De kerk heeft gepassioneerde mensen nodig van allerlei soort. Het zijn de smaakmakers, de mensen met de kont tegen de krib en de kop in de wind, desnoods op krukken.  Laat je niet uit het veld slaan, maar ga voor je passie en dank God en zing een psalm. 

 

donderdag 27 juni 2013

Mood Indigo


Freddy Hubbard
Bij een foto van Freddy Hubbard

Ik zag hem staan,
die lange man met zijn trompet.
Gezichtverborgen donk’re bril,
lijfgebogen dramatiek.
Mood Indigo

Hoe hij daar stond in eenzaamheid,
te midden van het jazzpubliek
en zwetend, zwoegend, overtuigd
zijn niet geremde solo blies.
Mood Indigo.

Ik had hem lief, niet om zijn lijf

dat parelzwart op glad parket
zijn onbereikbaar leven had,
maar om dat eeuwige verlangen.
Mood Indigo.

Vergeten was de heden tijd
nu ik de oerbron in mij wist
en ik het eindelijk begreep
dat heimwee soms gelukkig maakt.
Mood Indigo.


Freddy Hubbart is mijn leeftijdsgenoot (1938-2008). Misschien dat ik hem daarom bewonder. Het was een trompettist die, naar mijn idee, in de vergetelheid dreigt te geraken. Hij was een groot muzikant die werkte met  onder anderen Sonny Rollin, Slide Hamptons, Quincy Jones en vele anderen. Hij trok de aandacht toen hij in het baanbrekende hard bop ensemble Art Blakey and the Messengers speelde. In 1964 verliet hij de Messengers om zijn eigen band te leiden, en hij behield vanaf dan een gewaardeerde status die hem toeliet enkel als bandleider of special guest te werken.
Na langdurige gezondheidsproblemen en een ernstige kwetsuur aan zijn lip  trad hij na 1992 bijna niet meer op.
Freddie Hubbard overleed op zeventigjarige leeftijd na complicaties voortvloeiende uit een hartaanval.
Hij is nog steeds zeer de moeite waard om te beluisteren.

 

dinsdag 25 juni 2013

Blues for SML Gold Medal II



   
Mijn mooie, oude, saxofoon
is in de mood, is in de blues.
Een warme adem blaast haar aan,
ze speelt weemoedig, eenzaam, triest.

Mijn oude, lieve, saxofoon
is vol van stille, sexy, songs,
met woorden zoet en ongenoemd,
waarin ze zich verliest.

Mijn lieve, trouwe, saxofoon
is net als ik, een dagdroom ver,
vol dromen en herinnering.
Soms schuchter, soms heel driest.

Ik speel mijn ziel en zaligheid.
Ik speel mijn lijf en heerlijkheid.
Daar waar wij samen-komen.

Soms is er ruimte, eindeloos.
Dan speelt ze niet, is ademloos
en vreugdetranen stromen.

       Ik kocht in 1968 deze saxofoon. Het was een tweede hands dus moet zij (voor mij is het een zij) ongeveer 50 jaar oud zijn. Ze is een aantal keren onder behandeling geweest, maar altijd kwam ze als herboren terug. Tot op de dag van vandaag speelt ze als een wispelturige grand lady. Als we het samen kunnen vinden is het dan ook een genoegen om met haar het muzikale gevecht aan te gaan.
Ik dacht dat het tijd werd om haar met een gedicht te vereren  


dinsdag 4 juni 2013

De dagen in Mei

In een column in ons kerkblad schreef ik iets over kinderen in de oorlog. 4 mei is in Vorden, de plaats waar ik woon, een beladen datum geworden. In mijn dorp heeft men gemeend de herdenking van de voor ons land gevallenen te moeten vermengen met een groet aan hen die de oorzaak waren van de dood van onze gevallenen. Ik vergelijk ons volk in dit verband met een gezin dat op de sterfdag van een van de kinderen naar het kerkhof gaat om daar bloemen bij het graf te leggen. Op dat moment wil het gezin even alleen zijn en zit het niet te wachten op de buren die ook een kind verloren hebben. Deze ene dag wil men als gezin het kind gedenken en herdenken. Éen dag per jaar, meer niet. Alle andere dagen voor verzoening.  De onderstaande column heeft daar mee te maken, het laat me niet los. Vandaar.
                  Het is 5 mei. Het huis is vol geroep, gezang en gespeel. Drie van onze kleinkinderen, 4,5 en 8 jaar, vieren vakantie  bij opa en oma. Het is een feest. De kinderen vieren de vrijheid. Even vrij van de pedagogische juiste opvoedingsnormen van vader en moeder. Om anarchie te voorkomen gelden nu de wetten van oma. Lekker laat naar bed. Kussengevechten en waterballetten, pannenkoeken en patat.  Kinderen horen in vrijheid, vreugde en harmonie op te groeien, want zij zijn de toekomst. Maar zo gaat het vaak niet, en zo ging het vaak niet .
               Rondom 4 mei stonden verschillende TV uitzendingen in het teken van het kind in de oorlog. Verschrikkelijke beelden uit de kampen. De ongekende wreedheid, het gewetenloze, het cynisme maakte me van streek. Het systeem dat kinderen vernietigde was een verderfelijk systeem. We dachten er van verlost te zijn, maar niets is minder waar.
Nog steeds zit het in mijn hoofd. Ik had de leeftijd van mijn kleinkinderen in de oorlog.  De herinneringen aan de weggevoerde Joodse familie op de hoek van onze straat worden weer levendig. Het gemis van mijn vader in het laatste oorlogsjaar is nog steeds voelbaar. Ik was een  kind, maar had weet van de verschrikking. Het gefluister van mijn ouders over zaken die niet voor kinderoren waren bestemd. Het verduisterde huis. Het angstig bidden van mijn moeder. Ik was een kind, wij waren kinderen, soms bange kinderen, maar er werd geen jacht op ons gemaakt.
Die grote verschrikking ging lijfelijk aan mij voorbij, aan anderen niet. Het heeft me mede gemaakt tot wat ik ben. Een soms zorgelijk om zich heen kijkend mens. Zeker op 4 mei.
En dan te bedenken dat ook vandaag duizenden kinderen in angst leven, lijdend onder het geweld van een systeem. Het verandert niet.
In het gedicht Joodsch kind  is die angst bijna voelbaar.
Voor de jongeren onder ons is de vraag van het meisje misschien wat raadselachtig, maar het zwembad was voor Joden verboden. Zo werkte het systeem. 
                 Joodsch Kind
Zij wacht hem elke avond aan de trein
Het meisje met d'on-arisch zwarte haren
Met ogen, die verstrakken in een staren
Of vader gauw de tunnel door zal zijn 
 
Forensen schuif'len langs de middendeur
En schieten van de trap in 't daaglijks jachten
Het donkre kind kan enkel staan en wachten
Vlakbij het hokje van de conducteur. 
 
Dan zwaait een mannenarm een verre groet
Op 't klein gezicht bloeit plotseling herkennen
Zij wil op slag hard naar haar vader rennen
Hij bukt zich laag en zoent haar smalle toet.
 
Nu gaan ze samen door de late dag
De man gebogen en van zorg gebeten
Het ratelstemmetje wil erg graag weten
Waarom ze nog niet naar het zwembad mag
 
O Heer, ik heb vandaag één bede maar
Elk Joods gezin wordt haast uiteengereten
Laat de Gestapo deze twee vergeten
Laat die in Jezus'naam toch bij elkaar
 
           Van Henk Fedder (geboren 1890) is dit, in 1942 gepubliceerde, ontroerend gedicht. Ontroerend, want hoe jong de joodse kinderen ook waren, ze ontkwamen niet aan de terreur van het systeem.  De regel - Laat die in Jesus’ naam toch bij elkaar - is des te wanhopiger als je bedenkt dat in die tijd in Duitsland spandoeken hingen met: Jesus war kein jude.
                      Mijn kleinkinderen zijn weer thuis. Hun avondgebed hangt nog in ons huis:
Ik ga slapen, ik ben moe,
'k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houd ook deze nacht,
over mij getrouw de wacht.
                   Daar vertrouw ik op, alhoewel ik mijn ogen open hou.
 
  
 

vrijdag 5 april 2013

Zingen en zingen

Zondagmorgen. We zingen in de kerk het opgegeven lied uit het Liedboek voor de Kerken en ik blijf, zoals zo vaak, haken bij een stuk, voor mij, moeilijk te begrijpen tekst. Rondom me worstelt de gemeente met de melodie. Zingen moet een feest zijn maar ik ervaar dat niet altijd. Ik geloof dat goed zingen in de kerk een halve preek is en begrijpelijk zingen de andere helft. Ik geef onmiddellijk toe dat mijn evangelische achtergrond meespeelt in mijn kijk op het zingen in de gemeente, maar ik ben  er zeker van dat  een uit volle overtuiging en van harte zingende gemeente een groot goed is. Er gaat bemoediging en troost van uit en het is gemeentevormend. Ik kijk weer naar mijn liedboektekst. Het is heel poëtisch, maar het troost me niet, het raakt  me niet. Het is te ver weg.
      Maandagmorgen. Ik kijk mijn post na en zie dat iemand me een YouTube filmpje heeft toegestuurd. Het is het Pelgrimslied van de grote Zuid-Afrikaanse zangeres Amanda Strydom.
Als een storm, als een vloed, als een schot in het hart komt het bij me aan als ik haar in het Zuid-Afrikaans hoor zingen:
                   Vader God U ken my naam                              
                   My binnegoed en buitestaan
                   My grootpraat en my klein verdriet
                   My vashou aan als wat verskiet. (vergaat)

Amanda Strijdom
                    U ken my vrese en my hoop
                    Die pad wat ek so kaalvoet loop
                    Die pad het U lankal berei
                    U maak die pad gelyk vir my.
                   

                    Refrein:
                   Alle pelgrims keer weer huistoe
                   Elke swerwer kom weer tuis
                   Ek verdwaal steeds op U grootpad
                    Soekend na U boardinghuis
.(herberg)



                   Moeder God U ken my waan
                   My ego en my regopstaan
                   Die drake waarteen ek bly veg
                   U wys my altyd weer die weg.

                   U het my met U lig geseën (gezegend)
                   Die lig strooi ek op iedereen
                   Net U weet hoe my toekoms lyk
                   Ek het niks, U maak my ryk.

       Er waren tijden dat mijn geloof aan een zijden draadje hing en ik het leven ervoer als een tocht door de woestijn. Ik wist alleen dat mijn naam bekend was bij die Ene en daar moest ik het mee doen. Het heeft me getekend en gevoelig gemaakt voor muziek die echt wat te zeggen heeft.
Namib woestijn
Alleen al die eerste zin uit het Pelgrimslied: “Vader God U ken my naam” is voor mij als water in de woestijn. De idee dat God me van binnen en van buiten kent, met al mijn grootspraak en verdriet, mijn hoop en vrees, zoals een vader zijn kind kent, troost me en beurt me op. Het lijkt een beetje op het begin van psalm 139.(Heer, U kent mij, U doorgrondt mij, U weet het als ik zit of sta,...) De tranen springen in mijn ogen als ik hoor: “Elke swerwer kom weer tuis”gevolgd door
het voor mij zo herkenbare zinnetje “Ek verdwaal steeds op U grootpad, Soekend na U boardinghuis” Het thuiskomen is voor mij het mooiste van dit lied. Het is het alles overstijgende gevoel van vrede: komen waar je thuis hoort. Ik moet glimlachen om de aanhef van het derde vers, waar Moeder God de draken kent waar ik zo vaak mee worstel. Mijn ego om perfect saxofoon te spelen en die perfectie ook van anderen vraag is zo’n draak.
Het Pelgrimslied is een belijdenislied en een geloofslied, waarbij tekst en muziek een eenheid zijn. Het is geen hoogstaande poëzie.
Het eenvoudige aabb rijmschema zul je niet snel in het Liedboek vinden. Mij heeft het echter getroost, het heeft me geraakt, het was dichtbij en daarvoor ben ik Amanda Strydom dankbaar.

Wie wil luisteren:
www.youtube.com/watch?v=fTsYx8W_2w0 

      

zaterdag 8 december 2012

Niets is wat het lijkt


 
 
Of ik niet in de Info, het maandblad van de kerk, een column wil schrijven over kunst en geloof?
Ik aarzel en vraag me af of ik wel de juiste persoon ben….
Als je op een saxofoon speelt ben je dan een muzikant?
Als je zo nu en dan een gedicht schrijft ben je dan een dichter?
Als je zo nu en dan een stukje schrijft ben je dan een schrijver?
Ik dacht het niet.
Niets is wat het lijkt.
Ik kijk en luister op mijn manier.
Ik hou van muziek en poëzie, van literatuur en schilderkunst en theater.
Hoe zit dat dan met al die kunstuitingen die ogenschijnlijk weinig met geloof te maken hebben? Kunnen ze toch iets voor de kerk betekenen? Ik aarzel en wik en weeg...
Ik neem de uitdaging aan.
De komende tijd ga ik op zoek naar raakvlakken tussen muziek, theater, schilderkunst en geloof onder het motto:Niets is wat het lijkt.
Niets is wat het lijkt
Neem nu het gedicht Ziekenbezoek van Judith Herzberg.
      Mijn vader had een lang uur
      zitten zwijgen bij mijn ziekbed.
      Ten hij zijn hoed had opgezet
      zei ik, nou dit gesprek
      is makkelijk te resumeren.
     Nee, zei hij, nee toch niet,

     Je moet het maar eens proberen.
Een vader die zwijgend aan het bed van zijn zieke dochter zit. Niet bepaald troostend, “dit gesprek is makkelijk te resumeren”.
 De vader geeft zijn dochter echter een opdracht mee.“Probeer het maar”.

            Ik ga dit gedicht niet uitleggen, dat moet je zelf maar uitzoeken.          
Voor mij is in dit gedicht de vader God. Een God die ook vaak zwijgt, maar er wel is.
Of Herzberg het zo bedoeld heeft?
Ik lees het graag zo.


 

 

 

 

zaterdag 24 november 2012

Stamboomgedachten

Eens in de zoveel tijd ben ik bezig met mijn familiestamboom. Er sterft een oom, een nicht laat weten dat een oude  tante niet meer is. Geboortekaartjes, trouwbeloften. Verre neef komt vragen hoe het gaat. Mijn familie groeit en krimpt. De tijd neemt en geeft, vergeet en vertelt. Mijn stamboom is geschiedenis en herinnering, verleden en heden.

Mijn moeder
Dan is het tijd om mijn familie te bezoeken en aan te passen wat de tijd heeft aangebracht.Steeds is daar het moment dat ik mijn jonge moeder zie, mijn vader ook. Maar moeder heeft toch steeds de aandacht. Mijn vader was een muzikant, mijn leraar en een beetje vriend.Mijn moeder was een wat stroeve Drentse schippersdochter uit 1912 en met haar was ik minder vertrouwelijk .Er waren geen intieme of vertrouwelijke gesprekken, zoals ze die met mijn zusje had. Jongens zijn anders hé? Maar soms waren er toch momenten van vertrouwelijkheid. Ik had echter zelden de vrijmoedigheid om dat te zeggen wat gezegd had kunnen worden. Het bleef stil. We zwegen. Vandaag zag ik mijn moeder weer en ik had haar veel te zeggen.Toen moest ik denken aan dat prachtige moedergedicht van Gerrit Achterberg.


                                                                              Moeder
                                                       Ik zat met moeder aan de haard, zij breide
                                                       en ik deed niets dan cigaretten roken.
                                                       Ze zei: Jongen, je moet niet zoveel roken;
                                                       je moet er morgen mee uitscheiden.

                                                        Ik ben het haardvuur nog wat op gaan stoken;
                                                        horende hoe het zachtjes in mij schreide,
                                                        omdat het niet kon worden uitgesproken,
                                                        wat zich vlakbij voor eeuwig wou bevrijden.

                  Dit tere gedicht van Gerrit Achterberg is een kleinood binnen het  oeuvre van Gerrit Achterberg. Het is begrijpelijk, compact, en ingenieus gecomponeerd. Zoals bij al zijn poëzie kun je ook hier tussen de regels door lezen; er wordt altijd meer gezegd dan er staat, om met Nijhoff te spreken. Ik word geraakt door de gelatenheid en onnrust van de ik-persoon in het eerste couplet en de wanhoop in het tweede couplet en het bijna aanraakbare, onuitgesproken verdriet van de zoon naar zijn moeder.
                  

                  Terug naar de verleden tijd.We zaten bij elkaar. Mijn moeder spreekt en draait er een beetje omheen, ik wil spreken en zwijg. Twee gesloten naturen, dicht bij elkaar- mijn moeder raakt me in mijn hart, zonder dat ze zich ervan bewust is,-en ik laat de kans voorbijgaan en ben me ervan bewust. Zo vertrouwelijk en toch zo vreemd.Moeders, soms zo dichtbij en soms zover van je verwijderd. Ik had je lief.
                  Een stamboom opzetten en bijhouden is meer dan het invullen van allerlei data.