dinsdag 4 juni 2013

De dagen in Mei

In een column in ons kerkblad schreef ik iets over kinderen in de oorlog. 4 mei is in Vorden, de plaats waar ik woon, een beladen datum geworden. In mijn dorp heeft men gemeend de herdenking van de voor ons land gevallenen te moeten vermengen met een groet aan hen die de oorzaak waren van de dood van onze gevallenen. Ik vergelijk ons volk in dit verband met een gezin dat op de sterfdag van een van de kinderen naar het kerkhof gaat om daar bloemen bij het graf te leggen. Op dat moment wil het gezin even alleen zijn en zit het niet te wachten op de buren die ook een kind verloren hebben. Deze ene dag wil men als gezin het kind gedenken en herdenken. Éen dag per jaar, meer niet. Alle andere dagen voor verzoening.  De onderstaande column heeft daar mee te maken, het laat me niet los. Vandaar.
                  Het is 5 mei. Het huis is vol geroep, gezang en gespeel. Drie van onze kleinkinderen, 4,5 en 8 jaar, vieren vakantie  bij opa en oma. Het is een feest. De kinderen vieren de vrijheid. Even vrij van de pedagogische juiste opvoedingsnormen van vader en moeder. Om anarchie te voorkomen gelden nu de wetten van oma. Lekker laat naar bed. Kussengevechten en waterballetten, pannenkoeken en patat.  Kinderen horen in vrijheid, vreugde en harmonie op te groeien, want zij zijn de toekomst. Maar zo gaat het vaak niet, en zo ging het vaak niet .
               Rondom 4 mei stonden verschillende TV uitzendingen in het teken van het kind in de oorlog. Verschrikkelijke beelden uit de kampen. De ongekende wreedheid, het gewetenloze, het cynisme maakte me van streek. Het systeem dat kinderen vernietigde was een verderfelijk systeem. We dachten er van verlost te zijn, maar niets is minder waar.
Nog steeds zit het in mijn hoofd. Ik had de leeftijd van mijn kleinkinderen in de oorlog.  De herinneringen aan de weggevoerde Joodse familie op de hoek van onze straat worden weer levendig. Het gemis van mijn vader in het laatste oorlogsjaar is nog steeds voelbaar. Ik was een  kind, maar had weet van de verschrikking. Het gefluister van mijn ouders over zaken die niet voor kinderoren waren bestemd. Het verduisterde huis. Het angstig bidden van mijn moeder. Ik was een kind, wij waren kinderen, soms bange kinderen, maar er werd geen jacht op ons gemaakt.
Die grote verschrikking ging lijfelijk aan mij voorbij, aan anderen niet. Het heeft me mede gemaakt tot wat ik ben. Een soms zorgelijk om zich heen kijkend mens. Zeker op 4 mei.
En dan te bedenken dat ook vandaag duizenden kinderen in angst leven, lijdend onder het geweld van een systeem. Het verandert niet.
In het gedicht Joodsch kind  is die angst bijna voelbaar.
Voor de jongeren onder ons is de vraag van het meisje misschien wat raadselachtig, maar het zwembad was voor Joden verboden. Zo werkte het systeem. 
                 Joodsch Kind
Zij wacht hem elke avond aan de trein
Het meisje met d'on-arisch zwarte haren
Met ogen, die verstrakken in een staren
Of vader gauw de tunnel door zal zijn 
 
Forensen schuif'len langs de middendeur
En schieten van de trap in 't daaglijks jachten
Het donkre kind kan enkel staan en wachten
Vlakbij het hokje van de conducteur. 
 
Dan zwaait een mannenarm een verre groet
Op 't klein gezicht bloeit plotseling herkennen
Zij wil op slag hard naar haar vader rennen
Hij bukt zich laag en zoent haar smalle toet.
 
Nu gaan ze samen door de late dag
De man gebogen en van zorg gebeten
Het ratelstemmetje wil erg graag weten
Waarom ze nog niet naar het zwembad mag
 
O Heer, ik heb vandaag één bede maar
Elk Joods gezin wordt haast uiteengereten
Laat de Gestapo deze twee vergeten
Laat die in Jezus'naam toch bij elkaar
 
           Van Henk Fedder (geboren 1890) is dit, in 1942 gepubliceerde, ontroerend gedicht. Ontroerend, want hoe jong de joodse kinderen ook waren, ze ontkwamen niet aan de terreur van het systeem.  De regel - Laat die in Jesus’ naam toch bij elkaar - is des te wanhopiger als je bedenkt dat in die tijd in Duitsland spandoeken hingen met: Jesus war kein jude.
                      Mijn kleinkinderen zijn weer thuis. Hun avondgebed hangt nog in ons huis:
Ik ga slapen, ik ben moe,
'k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houd ook deze nacht,
over mij getrouw de wacht.
                   Daar vertrouw ik op, alhoewel ik mijn ogen open hou.
 
  
 

vrijdag 5 april 2013

Zingen en zingen

Zondagmorgen. We zingen in de kerk het opgegeven lied uit het Liedboek voor de Kerken en ik blijf, zoals zo vaak, haken bij een stuk, voor mij, moeilijk te begrijpen tekst. Rondom me worstelt de gemeente met de melodie. Zingen moet een feest zijn maar ik ervaar dat niet altijd. Ik geloof dat goed zingen in de kerk een halve preek is en begrijpelijk zingen de andere helft. Ik geef onmiddellijk toe dat mijn evangelische achtergrond meespeelt in mijn kijk op het zingen in de gemeente, maar ik ben  er zeker van dat  een uit volle overtuiging en van harte zingende gemeente een groot goed is. Er gaat bemoediging en troost van uit en het is gemeentevormend. Ik kijk weer naar mijn liedboektekst. Het is heel poëtisch, maar het troost me niet, het raakt  me niet. Het is te ver weg.
      Maandagmorgen. Ik kijk mijn post na en zie dat iemand me een YouTube filmpje heeft toegestuurd. Het is het Pelgrimslied van de grote Zuid-Afrikaanse zangeres Amanda Strydom.
Als een storm, als een vloed, als een schot in het hart komt het bij me aan als ik haar in het Zuid-Afrikaans hoor zingen:
                   Vader God U ken my naam                              
                   My binnegoed en buitestaan
                   My grootpraat en my klein verdriet
                   My vashou aan als wat verskiet. (vergaat)

Amanda Strijdom
                    U ken my vrese en my hoop
                    Die pad wat ek so kaalvoet loop
                    Die pad het U lankal berei
                    U maak die pad gelyk vir my.
                   

                    Refrein:
                   Alle pelgrims keer weer huistoe
                   Elke swerwer kom weer tuis
                   Ek verdwaal steeds op U grootpad
                    Soekend na U boardinghuis
.(herberg)



                   Moeder God U ken my waan
                   My ego en my regopstaan
                   Die drake waarteen ek bly veg
                   U wys my altyd weer die weg.

                   U het my met U lig geseën (gezegend)
                   Die lig strooi ek op iedereen
                   Net U weet hoe my toekoms lyk
                   Ek het niks, U maak my ryk.

       Er waren tijden dat mijn geloof aan een zijden draadje hing en ik het leven ervoer als een tocht door de woestijn. Ik wist alleen dat mijn naam bekend was bij die Ene en daar moest ik het mee doen. Het heeft me getekend en gevoelig gemaakt voor muziek die echt wat te zeggen heeft.
Namib woestijn
Alleen al die eerste zin uit het Pelgrimslied: “Vader God U ken my naam” is voor mij als water in de woestijn. De idee dat God me van binnen en van buiten kent, met al mijn grootspraak en verdriet, mijn hoop en vrees, zoals een vader zijn kind kent, troost me en beurt me op. Het lijkt een beetje op het begin van psalm 139.(Heer, U kent mij, U doorgrondt mij, U weet het als ik zit of sta,...) De tranen springen in mijn ogen als ik hoor: “Elke swerwer kom weer tuis”gevolgd door
het voor mij zo herkenbare zinnetje “Ek verdwaal steeds op U grootpad, Soekend na U boardinghuis” Het thuiskomen is voor mij het mooiste van dit lied. Het is het alles overstijgende gevoel van vrede: komen waar je thuis hoort. Ik moet glimlachen om de aanhef van het derde vers, waar Moeder God de draken kent waar ik zo vaak mee worstel. Mijn ego om perfect saxofoon te spelen en die perfectie ook van anderen vraag is zo’n draak.
Het Pelgrimslied is een belijdenislied en een geloofslied, waarbij tekst en muziek een eenheid zijn. Het is geen hoogstaande poëzie.
Het eenvoudige aabb rijmschema zul je niet snel in het Liedboek vinden. Mij heeft het echter getroost, het heeft me geraakt, het was dichtbij en daarvoor ben ik Amanda Strydom dankbaar.

Wie wil luisteren:
www.youtube.com/watch?v=fTsYx8W_2w0 

      

maandag 25 februari 2013

Kijken en zien

Er is volgens mij een verschil tussen kijken en zien. Ik hou van moderne schilderkunst en een van mijn favoriete schilders is de Joods-Russische schilder Marc Chagall. Zijn kleurrijke en uitbundige surrealistische schilderijen zijn heel bijzonder. Mensen zweven door de lucht, violisten spelen op hellende daken, engelen gluren uit allerlei hoeken en gaten naar mensen en koeien en hanen lijken ons uit te dagen. Ik kijk vaak naar het schilderij "De wandeling" Centraal op het werk staat Chagall met zijn bruid Bella. Chagall staat stevig op de grond terwijl aan zijn linkerhand Bella als een ballon in de lucht zweeft. In zijn rechterhand houdt Chagall een duif.Wie goed kijkt ziet nog meer elementen zoals een gedekte tafel, een vreemd grazende koe, een roze kerk..
Waar gaat het in dit werk over?
Volgens Chagall is de liefde als een zweven, als een dans naar de hemel. Vandaar dat Bella zwevend is afgebeeld .Chagall staat stevig op de grond.Hij voelt zich zeker in zijn liefde voor Bella en hij is een vrij man. De duif staat voor vrijheid en de koe staat voor een weldadig leven overvloeiende van melk, boter en vlees.
Zo is kijken en zien geworden.
Zo kun je ook naar de kerk kijken. Het is vaak net zo surrealistisch als het beschreven schilderij.
Wat stelt het voor? Of is het wat stelt het nog voor?
Iemand (zoals een van mijn vrienden) die onwetend een kerkdienst bezoekt kijkt er met verwondering en verbazing naar. Hij ziet mensen in banken zitten die kijken en luisteren naar een man in een jurk, (uitspraak van een van mijn kinderen), die allerlei handelingen uitvoert. Er worden handen geschud,brood en wijn gedeeld, er hangen en liggen gekleurde doeken gekleurde men staat op en gaat weer zitten, men zing zo nu en dan een paar zinnen. Regelmatig wordt er gezongen en soms wordt een steentje weggedragen (een in memoriam). Het hoogtepunt is het moment dat de man in de jurk de kansel bestijgt om te gaan spreken.
Het zijn allemaal symbolen, net zo als in De Wandeling.
Ik wil die symbolen niet gaan uitleggen, ze horen kennelijk bij de kerk.
Het mooist symbool vind ik de overeenkomst met de in de lucht zwevende Bella en de kansel bestijgende voorganger. Beiden los van de aarde en wat dichter bij de hemel. Met wat geluk komt de hemel in de kerk.
Wat een feest zou her zijn als de kerk eens vol zou hangen met de schilderijen van Chagall om ons er aan te herinneren dat de Liefde ons vrij maakt van het aardse. Er valt veel te zien in de kerk, maar het meeste van deze is de Liefde
 

maandag 18 februari 2013

Trombonisten


                                
Muzikanten zijn over het algemeen leuke mensen, want er valt altijd wel iets over ze te vertellen. Neem nu mensen die op een trombone spelen. Over hen gaat het volgende verhaal.      In de bigband waarin ik speel zit de trombonesectie pal achter me. Ik wordt dus bij iedere repetitie en bij iedere uitvoering geconfronteerd met waarschijnlijk de meest 
luidruchtige groep blazers die de band rijk is.
Het probleem met trombonisten is dat ze niet worden begrepen. Er zijn dan ook wel een
aantal merkwaardige zaken te constateren.
Laten we eerlijk zijn, het instrument is een typisch mannelijk instrument. Je hoeft geen
psychologie te hebben gestudeerd om te begrijpen wat Freud ooit bedoelde toen hij het over mannelijke symbolen had.  De schuiftrombone is er zo een. En mannelijk klinkt het als de trombone stevig wordt aangeblazen. Mooi, mooi, dat wel, maar hard. Aan de andere kant klinkt ze typische vrouwelijk. Het gemak waarmee een trombone van de ene noot naar de andere glijdt, het zogenaamde glissando, en de soepele en lenige klank als de trombone zachtjes (piano) speelt is heel vrouwelijk. En daar zitten dan de jongens en meisjes te schuiven, soms als stoere mannen en dan weer een beetje vrouwelijk.
Eigenlijk moet je ze zien spelen. Het zijn heel drukke muzikanten. De meeste andere
muzikanten drukken wat klepjes dicht of duwen wat ventielen naar beneden maar trombonisten veranderen continu de lengte van hun instrument om een andere noot te kunnen spelen en dat is bij de hoeveelheid noten die ze tegenwoordig blazen een heel gedoe. Ik vindhet knap dat op iedere positie, een grondtoon noemen ze dat, weer een stuk of zes andere tonen kunnen blazen. Eigenlijk spelen ze op een soort natuurhoorn. Je hoort mij niet zeggen dat ze op een veredelde midwinterhoorn spelen of op een klein soort alpenhoorn maar je komt zo toch wel op ideeën.
Een gesprek over hun instrument aan de bar levert vaak onbegrijpelijke informatie op.
“Hij klinkt een beetje schraal in de beker” hoorde ik iemand zeggen.
“ja, ja, mijn C klinkt aan het eind van de noot in de beker vals”
“Hij heeft een kale klank en het is moeilijk de toon open te krijgen”,
“En hij heeft een luie slof”. Bij dat laatste keek hij bijna triomfantelijk. Het leek me niet al te best toe.
“De gooseneck zit wel goed”.
“Een klein beetje te veel doorgebogen, hij leunt wat”
“Zit er een kwartventiel op?” Kwartventiel dacht ik, en mijn gedachten vlogen op hol.
 Zie je wel, ze willen ook ventielen op hun instrument hebben. Maar waarom dan zo’n kleintje?. 
Neem toch een hele ventiel in plaats van een kwartventieltje”.
Het ventiel waar ze het over hadden bleek een soort haakje te zijn. Een wel heel flauwe
afspiegeling van een echt ventiel. Onbegrijpelijk En dan te bedenken dat op een bastrombone twee van die dingetjes zitten.
“Kun je me een ‘Bucket mute’ lenen?”, ging het gesprek verder
“Nee, maar wel een plunger of probeer het eens met een bubble mute, ik heb ook wel een
wow-wow en een wah-wah voor je” Ze hadden het over dempers begreep ik. Onbegrijpelijk.
Emmers en ontstoppers, keukengerei, in de koffer van trombonisten. Je hoort mij niet zeggen dat het vreemde zaken zijn, maar je komt zo toch wel op ideeën. 
Maar ik mag ze wel.


zaterdag 26 januari 2013

Geestdrift

In 1969 had ik een leeftijd bereikt waarop het ongeregelde muzikantenleven overgegaan was in een min of meer geregeld bestaan, waar overigens de (pop)muziek toch een grote plaats bleef innemen en ik nog steeds saxofoon speelde in de nu al lang vergeten band Blake Five, indachtig Larry Norman die zong:
                         “They say to cut my hair, they're driving me insane.
                             I grew it out long to make room for my brain.
                             But sometimes people don't understand,
                            What's a good boy doining in a Rock n' Roll band.
                            There's nothing wrong with playing the blues licks,
                            If you've got a reason , I want to hear it         
                             Why should the Devil Have all the Good Music?"

          Het was in dat jaar 1969 dat in het Amerikaanse stadje Bethel (!)) het nu wereldberoemde Woodstock muziekfestival werd gehouden. Wij, nuchtere Twentse muzikanten, zagen en hoorden het met verwondering en bewondering aan. Al onze helden speelden er. Joan Baez, Joe Cocker, Creedence Clearwater Revival en Crosby, Stills, Nash & Young en niet vergeten The Who en Jimi Hendrix. We hadden erbij willen zijn.
We hoorden dat het aantal bezoekers steeg van 200.000 op dag 1 naar 400.000 op dag 3 en dat het 3 days of Peace & Music waren geweest. Volgens anderen waren het drie dagen vol vrije liefde, alcohol en drugs. Niet alles is echter wat het lijkt.

                     Muziek creëert gemeenschap en sorteert verbroederingen. De vreugde van het onbekommerd en enthousiast meezingen en meedansen met en op de muziek van al die goede muzikanten werkte bevrijdend op die gemeenschap. In die bevrijding sloeg de vonk van geestdrift over. De geest werd vaardig over de honderdduizenden en als een lofprijzing klonk het gezang over de velden. Die geestdrift kwam niet uit de lucht vallen, maar uit de hemel.
Die geestdrift is kenmerkend voor al die festivals die na Woodstock kwamen. Ik wil geen psychologie van de koude grond bedrijven, maar ik zie er ook een stuk spiritualiteit in.

Over geestdrift gesproken.
Ik zit in mijn kerk niet te wachten op de spiritualiteit van het mooie gevoel of “een shot zingeving” om met de schrijfster Désanne van Brederode te spreken.
Maar soms verlang ik naar de vreugde van de Geest en zou ik Geestdriftig met de hele gemeente willen dansen en zingen in de kerk met het ontwapende enthousiasme van de festivalganger, omdat er veel te vieren is. Ik geniet vaak van de liturgie en ik hou van de stilte waarin ik de aanwezigheid van de drie-enige God ervaar.Mijn hart springt soms op van vreugde bij de verkondiging van het Woord.
Maar soms verlang ik naar de uitbundigheid van de Geest. Wij vieren het feest van de kerk, zeggen we vaak
Wat zou het mooi zijn als we eens in de benen zouden komen en echt feest zouden vieren.
Ik zei het al eerder. "We hebben in de kerk genoeg te vieren"


zaterdag 19 januari 2013

Oude jasjes

Zwart met grijze streepjes

"Of ik nog een oud jasje wilde hebben" vroeg mijn zoon wat terughoudend. (Je vraagt je vader toch niet of hij een oud kledingstuk van je wil dragen). Hij had het over een veel gedragen en daardoor wat verkleurd en versleten donkerbruin leren jasje.
Een beetje uit de tijd, een beetje ouderwets,
Ik heb wat met jasjes/colbertjes. Mijn eerste jasje droeg ik als 14-jarig jongetje in 1950. Geboren in een gezin waar ieder dubbeltje werd bekeken voordat het werd omgedraaid was ik bepaald niet verwend met dure kleding, laat staan luxe jasjes.Toch kreeg ik een mooi jasje. Canadese geloofsgenoten hadden gehoord van de armoe in onze gemeenschap en hadden kleding ingezameld en naar Nederland verstuurd. Mijn moeder zocht voor mij in die grote stapel kleding een echt Amerikaans colbertje uit. Nog voel ik de wat stijve stof. Het had een ruitmotief van gele, bruine en groene streepjes, twee zakken die dichtgenaaid waren en een bovenzakje waarin verscholen een pochetje. Aan de binnenzijde twee zakken met een rits. In een van de zakken een briefje met een niet meer leesbare tekst. Met een bruine lange broek voelde ik me een hele vent, totdat een meisje zei dat bruin niet bij blonde jongens paste. Toen ik 16 werd kreeg ik mijn eerste kostuum bij kleermaker Wispelwey aangemeten. Een bruin kostuum. Het jasje zat als gegoten, de broek niet. Toen ik trouwde huurde ik een trouwpak. De slipjas was aan de grote kant en werd door een coupeuse ingenomen. Op de foto is te zien dat dat niet bepaald deskundig was gebeurd.
Het meest vreemde jasje kreeg ik van de harmonie Wilhelmina uit Almelo aangepast. Het was gemaakt van een partij afgekeurde stof met een onbestemde kleur beigebruin. Op de schouders gouden epauletten, op de revers een soort medailles en op de mouwen gouden stikwerk. Later zou ik bij andere harmonieorkesten nog veel vreemdere jasjes aankrijgen waarbij die van Euphonia Eibergen wel de beroerdste was. Ik herinner me ook het jasje dat ik maar een paar minuten heb aangehad. Dat kwam zo. Bij een kledingzaak zag ik een prachtig crèmekleurig jasje op een buitenrek hangen. Het paste perfect. IK had echter geen geld bij me en ik vergat het te reserveren. Ik fietste snel naar huis om geld te halen om bij terugkomst te moeten constateren dat het jasje was verkocht. Mijn liefste jasje is een oud zwart jasje met grijze streepjes dat ik als muzikant jarenlang heb gedragenen. Het staat bol van de herinneringen. Daar gaat het volgende gedicht over:
Oud, versleten, weggehangen

                 Jasje
     Hé, zwart jasje met je grijze streepje
     weet je nog?
     Duke Ellington,
      Benny Goodman,                    .
      Louise Armstrong
      Geur van gerst en reuk van rook.
      Hé, zwart jasje met je grijze streepje.
      weet je nog?
      Zweten, drinken, blues en jazz,
      nacht en ontij, podium.
     sexy saxofoon,klarinet.
     Hé, zwart jasje met je grijze streepje.
     Oud, versleten, weggehangen.
     Weet je nog?



Of ik nog een oud jasje wilde hebben"
"Ik kom hem wel halen" zei ik.
Posted by Picasa

woensdag 16 januari 2013

Oude schoenen


5000 kilometer

Ik ben geboren in een tijd dat er ook nog op een dubbeltje gekeken werd. Bovendien ben ik geboren met zwakke enkels en dat betekende dat ik in mijn jongste jaren hoge schoenen moest dragen. Dat was een bron van frustratie. Niemand droeg hoge schoenen en zeker niet bij een korte broek. Ik wel. Mijn vriendjes droegen klompen. Iedereen droeg klompen. Ik niet. Ik had hoge schoenen. "Schoenen waar ik zuinig op moest zijn, zei mijn moeder, en niet mee moest voetballen. Ze waren duur". Zo liep ik op hoge schoenen naast het voetbalveldje. Daar liep ik een haat-liefde verhouding voor schoenen op, omdat er toch mee getrapt werd en de thuiskomst met beschadigde hoge schoenen problematisch was. Totdat ik op mijn verjaardag voetbalschoenen kreeg. Bruine schoenen van een onbekend merk. Ik had zo graag zwarte kicks gehad van het merk Quick. Maar goed, ik had voetbalschoenen en de hoge schoenen verdwenen uit het zicht..
Schoenen dragen je het leven door. Hoge schoenen, lage schoenen. Voetbalschoenen, veiligheidsschoenen Wandelschoenen, showschoenen enzovoort. Je eerste schoentjes worden bewaard omdat daar je eerste pasjes mee werden gemaakt.Het waren de eersten van velen. Later ontdekte ik dat schoenen kunnen wringen en dat mijn moed erin kon zakken, terwijl ik beter de stoute schoenen aan had kunnen trekken voordat het lood me in de schoenen zakte. Soms werd me iets in de schoenen geschoven en dan wilde ik graag in andermans schoenen staan, om dan te ontdekken dat hij op hoge schoenen liep. Een enkele keer liep ik van trots naast mijn schoenen.  Kortom, Ik heb iets met schoenen. Ze hebben me gedragen door stad en land, door bos en duin. Door wind en regen, door sneeuw en over ijs. Ik gooi geen oude schoenen weg voordat ik nieuwe heb. Ik kan moeilijk afscheid nemen van die trouwe metgezellen. Daarom dit stilleven van mijn laatste wandelschoenen.  
Ik heb nieuwe schoenen gekocht, want ik had de idee dat ik nog niet in mijn laatste schoenen liep.